De of het ambtstermijn?
De ambtstermijn
Is het de of het ambtstermijn
In de Nederlandse taal gebruiken wij de ambtstermijn.

Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: tenure
Deutsch: Amtszeit | Bekijk of het der of die Amtszeit is.
Français: tenure | Bekijk of het Le o La tenure is.
Jou of jouw: jouw ambtstermijn
Buigings-e:
Mooi of mooie ambtstermijn
Groot of grote ambtstermijn
Half of halve ambtstermijn
Grappig of grappige ambtstermijn
Leeg of lege ambtstermijn
leuk of leuke ambtstermijn
Vet of vette ambtstermijn
Snel of snelle ambtstermijn
Wit of witte ambtstermijn
Klein of kleine ambtstermijn
Rood of rode ambtstermijn
Dik of dikke ambtstermijn
Oud of oude ambtstermijn
Goed of goede ambtstermijn
Wat rijmt er op ambtstermijn
Elk of elke: Elke ambtstermijn
Aanwijzend voornaamwoord: Die ambtstermijn
Bezittelijk voornaamwoord: Onze ambtstermijn
Wat rijmt er op ambtstermijn
accountantsambtstermijn -
Buigings-e:
Mooi of mooie ambtstermijn
Groot of grote ambtstermijn
Half of halve ambtstermijn
Grappig of grappige ambtstermijn
Leeg of lege ambtstermijn
leuk of leuke ambtstermijn
Vet of vette ambtstermijn
Snel of snelle ambtstermijn
Wit of witte ambtstermijn
Klein of kleine ambtstermijn
Rood of rode ambtstermijn
Dik of dikke ambtstermijn
Oud of oude ambtstermijn
Goed of goede ambtstermijn
Wat rijmt er op ambtstermijn
Elk of elke: Elke ambtstermijn
Aanwijzend voornaamwoord: Die ambtstermijn
Bezittelijk voornaamwoord: Onze ambtstermijn
Wat rijmt er op ambtstermijn
accountantsambtstermijn -
Oefening van de dag